Raak

 

Het is nog vroeg op de dag, ik schrik wakker in de trein. Een intercity. De zon schijnt al volop, maar ik heb zijn eerste uren gemist. Ik weet niet meer hoe ik hier terecht ben gekomen. Ik kijk naar buiten, naar dat typische Nederlandse landschap waar ik me alleen vanuit de trein een blik op kan gunnen: dichtbebouwde woonwijken met smalle straten, rechte lanen met bomen, industrieterreinen, elektriciteitsmasten, weilanden met hekjes, gras veel gras en  de rivieren die eigenwijs door het afgebakende land slingeren.

 

Naast me rijdt plots een andere intercity, direct naast me. Ik zie een vrouw zitten. Heel dichtbij. Ik denk dat ik haar herken, dat ik haar eerder zag. Ik weet niet meer waar. Ik zie haar blauwe ogen, ze heeft een luchtig shirtje aan, een tatoeage op haar arm. Ze kijkt ook naar mij en lacht. Ik lach terug. Dit is heel spannend.

 

Ik hoor de wissels onder m’n trein zuchten. Als onze treinen door de bocht gaan, raken we elkaar. In m'n gedachten botsen onze treinen, is er vuurwerk, kabaal, ravage, maar in werkelijkheid piept enkel het ijzerwerk. Ik hoor de aarzelingen. Het duurt niet lang. Een ogenblik. De verlegenheid giert door me heen. Ik wil haar blijven aankijken, maar durf het niet.

 

En heel heel langzaam raken we weer los van elkaar. Zij reist haar eigen reis en gaat een andere kant op. Even was er alleen haar fraaie oogopslag en haar ronde lach, Even wist ik niet waar ik het zoeken moest. Nu doe ik pogingen om haar los te laten, maar twee weken later is ze nog steeds in mij. Ik staar naar buiten. Ze blijft naar me kijken. Misschien zijn verlangen en missen hetzelfde.  Het gras wuift, de bloemen bloeien.