Stiltecoupé

 

Onderweg is het erg stil. In de stiltecoupé zitten mensen met boeken, hoofdtelefoontjes, met niks. Vandaag reist iedereen alleen. Ik luister naar muziek en zit naar buiten te kijken.  In Lelystad komt een grote man binnen, zijn gestalte maakt indruk. Ik kijk op vanuit de laatste stoel - ik houd van overzicht. Hij gaat aan de andere kant van de coupé zitten. 

 

Als de trein weer verder rijdt, pakt hij zijn telefoon en belt. Ik hoor zijn zware stem door mijn muziek heen. Hij praat heel hard over zaken die geregeld moeten worden. Ik wil het niet, maar net als iedereen moet ik wel meeluisteren. Na een minuut roept een man vanaf de andere kant van zijn rij: ‘Hé dit is toch de stiltecoupé?!’ Ik hoor veel verontwaardiging in zijn stem. Even is het stil en dan roept de beller terug dat hij zich met zijn eigen zaken moet bemoeien. De aanklager neemt op zijn beurt geen genoegen met dit antwoord. Hij buldert: ‘Houd toch eens op met dat asociale gebel van je!’ Oei. Ik doe even m'n muziek uit, want ik kan er nu niet meer naar luisteren. Ondertussen danst de zwarte energie door de trein, het is alsof er onweer boven de coupé hangt. Ik kijk op en tel de seconden.

 

Een man die voor de beller zit, neemt het vervolgens voor de aanklager op. Ik zie het met de rest van de passagiers van een afstandje aan. Hij draait zich om, gaat staan en roept: ‘Hé jij doe us normaal man!’ Bliksem! De beller wordt vervolgens boos, vloekt een keer en belt verder. De coupe siddert. Weer is het stil, maar dit is hele andere stilte. Als iemand nu een klap uitdeelt, er een vechtpartij ontstaat, verbaast me dat niet.  Ik bedenk me wat me te doen staat, en terwijl ik nog zit te twijfelen over negeren, ingrijpen of weglopen staat een oudere vrouw voor me op. 

 

Vastberaden loopt ze op haar doel af. Alle ogen zijn nu op haar gericht. Als ze bij de bekvechters is aangekomen stopt ze, en zegt dan rustig en zacht: ‘Meneer, wilt u alstublieft stoppen met bellen? want wij hebben allemaal last van u gebel....’  Heel slim, want zo schaart ze de hele coupé achter zich. De beller kijkt op. Dan kijkt hij naar buiten en mompelt iets in zichzelf. De vrouw eist nogmaals zijn aandacht op. Hoe ze dat doet weet ik niet, maar ze kijkt hem vervolgens liefdevol aan en zegt op vriendelijke toon -die me nog het meest doet denken aan m'n kleuterjuf: ’U staat hier alleen meneer, stop met bellen.’ De man kijkt rusteloos om zich heen en zegt dat ze de politie maar moeten bellen. Weer is het even stil, er steekt een briesje op.

 

De moedige vrouw zegt even niets, kijkt rustig en standvastig naar de man en vervolgt dan opnieuw met fluweelzachte stem: 'Nee, die heb ik niet nodig. U stopt nu met bellen.’ Ze wijst naar zijn telefoon, Dan draait ze zich om, ze kijkt de aanklagers nog even geruststellend aan en loopt terug naar haar plaats. Er hangt een lichte gloed om haar heen. 

 

Als ze weer zit is het telefoongesprek beëindigd. De aanklagers hebben hun plaatsen weer ingenomen. De spanning in de coupé wuift weg. Ik vermoed dat het hart van deze vrouw in haar keel klopt, maar ik zie het niet. Ze pakt haar muziek weer op, en kijkt weer naar buiten. Niemand zegt nog een woord. Het onweer is overgewaaid. We zijn bijna in Zwolle, geheel volgens dienstregeling.