Godsdienstig

 

Ben je nog godsdienstig nu je niet meer bij de katholieke kerk hoort? Uit het niets werpt hij me een vraag toe, daar is hij goed in. Ik houd ervan. Ik weet het antwoord niet direct. Ik denk er even over na. Ik wil het eenvoudig houden en splits daarom het woord ‘Godsdienstig’ in tweeën: God en dienstig.

 

 

God

Ik weet niet of God er is. Misschien bestaat God in essentie als een idee, waarvan er veel zijn. Heel veel. Misschien zijn sommige waar, en andere niet. Ik weet het niet. De meeste ideeën over God sluiten niet aan bij mijn beelden. Mijn God is voor mij een heilzame illusie. God is liefde, zeg ik als ik er snel van af wil zijn. Maar wat liefde is, dat kan ik niet vangen. Ik deed eens een poging. Hier. Over God wil ik zwijgen, zegt de laatmiddeleeuwse theoloog Meister Eckhart. Ik sluit me daar graag bij aan, en misschien is het daarom dat het eerste testament zo vol overigens prachtige poëtische teksten staat. Poëzie geeft ruimte. De idee van God houdt de mens op de been, bijvoorbeeld wanneer zij gevallen is of opgestegen. Persoonlijk of collectief, op voorwaarde dat je er een idee bij hebt. Een vorm. Anders kun je er niet in geloven.

 

Misschien is God de ander, zoals Levinas zo fraai verwoordde; alleen door de blik van de ander ontsnap je uit de beklemming van het zijn. De goddelijkheid verschijnt in de blik van de ander, dat is alles wat me aanraakt, naar me kijkt, me niet onberoerd laat: een mens, een dier, de zee, het bos, een boom, een plant, het veen, een lied, een kunstwerk, een verhaal, mijn dromen, mijn fantasie en de idee dat de overledenen er nog zijn omdat ze in mijn gedachten verschijnen. Zonder wie of wat het niks is. Wie of wat naar me kijkt, me aanraakt, dat weet ik niet helemaal, en al helemaal niet met welk idee de ander dat doet. Het samenspel van alles wat me aanraakt is een mysterie in zichzelf, maar het geeft me leven, een weg, een richting. Vervat in liefde, in alles en niets. Misschien is het groter of kleiner dan dit, maar daarvoor heb ik de woorden nu niet.

 

Dienstig

Dan dienstig. Ik weet ook niet of ik dienstig ben aan dat wat ik voor het gemak mijn God noemde en hierboven beschreef. Ben ik dienstig aan de idee waarvan ik vermoed dat het mijn niet te vatten God is? En wat is dat dan? Dienstig? De synoniemenlijst komt met nuttig, positief, gunstig en bevordelijk. Door mij in het kort verwoord als iets dat bijdraagt aan mijn God. Ik denk aan mijn pad. Mijn leven. Iets waar ik in geloof. Soms vraag ik me af of het mogelijk dat het anders zou zijn. Dat er voor mij een andere weg zou zijn, op een andere plek, met andere mensen, met andere momenten van pijn of geluk. In deze tijd. Maar dat is voor mij ondenkbaar, want dit is het. Dit ben ik.

 

Dit is echt, en ik ben hier, in mijn lichaam, met alles en iedereen. Mijn leven werpt zich op aan mijn voeten, en niet aan een ander. Wat kan ik anders dan het betreden? Gewoon maar op weg te gaan. Woorden en rituelen te geven aan het leven dat ik leef, er een verhaal van te bakken, of muziek aan te geven, een vorm voor te zoeken. Om iets uit de werkelijkheid dat mijn gevoelsleven beroert te duiden, een plek te geven. 'Mijn God waarom hebt Gij verlaten?' Als ik me dof, eenzaam en dood voel, om maar wat te noemen. 'Zij herkenden hem aan het breken van het brood' als ik woorden zoek om te laten weten waarin ik de ander herken. Steeds hetzelfde lied te zingen. En ga zo maar door. De ideeën en vormen die zich aandienen, die ik ken, geven kleur aan mijn leven, waarvan ik de oppervlakte en de diepte niet doorgronden kan. Het geeft me een plek om te zijn en een huis om in te wonen. Zo baken ik af. Voor mij is dat een noodzaak. Ik heb de natuurlijke neiging een mysterie te willen vatten, dat zich juist niet laat kaderen, niet door mensen, niet door woorden, alleen door de dood misschien. Of juist omdat leven bestaat dankzij dood en geboorte, in de ruimste zin des woords. Wie het weet, mag het zeggen.

 

Als ik beide antwoorden op deze manier vandaag zo op elkaar betrek, en dat dan godsdienstig is, dan is luidt mijn antwoord: Ja, misschien.

 

Hij kijkt me aan en zwijgt, opnieuw.