Het ijs breken

 

‘Weet je,' zegt ie, 'Als ze me een kus had gegeven, dan was ik haar waarschijnlijk allang weer vergeten. Ik stond helemaal open om er een te ontvangen. Het was in een café. Ik moet op zijn minst aangeschoten zijn geweest. Hoe oud was ik? 17 misschien? Maar in plaats van een zoen, gaf ze me een mep vol in mijn gezicht.’ Hij vertelt er over alsof het gisteren was. We zitten bij de kachel en staren in het vuur. Theologen onder elkaar. We graven in onze liefdesgeschiedenis. Nee, aan z’n vriendin heeft hij het destijds niets durven vertellen. Bang voor de consequenties. Wat kon er mis gaan? vraag ik hem. Hij haalt z’n schouders op. 

 

Ik vind het een straffe actie van die dame. ‘Nu weet je het nog.’ zeg ik. ‘Ja, zegt hij, 'Ik ben haar nooit vergeten. Ze is altijd in m’n gedachten geweest. Ik heb naar haar verlangd en me afgevraagd wat ik fout heb gedaan. Ik heb haar nooit meer gezien maar ben door die actie mezelf toen meer onder ogen gekomen.’ Ik zeg dat ik bewondering heb voor haar. Ze moet in mijn ogen een hoop lef hebben gehad om dat doen.

 

We praten bij het vuur verder over hoe dicht je bij iemand komen kan, of beter hoe alleen je als mens bent. We praten vaker over eenzaamheid, en dat er waardevolle verbindingen ontstaan wanneer je je geheimen prijsgeeft aan iemand waar je je veilig bij voelt, maar dat dat ook dikwijls eng is. Angst voor veroordeling, met uitsluiting tot gevolg ligt immers vaak op de loer. In het groot en in het klein oordelen we wat af met elkaar. 

 

Het vuur knispert en even schiet de Nashville verklaring door m'n hoofd, die mensen veroordeelt en uitsluit. Op papier en in de praktijk. Vreselijk. Hoe we zoiets als liefde steeds weer in bezit willen nemen, en hoe we onszelf en elkaar vaak gevangen houden om onze eigen angsten niet onder ogen te hoeven komen én de verantwoordelijkheid daarvoor bij iets anders leggen. God. Als dat het is. Ik weet het niet. Net zoveel van jezelf houden als van de mensen om je heen vind ik ingewikkeld. En liefde is voor mij een raadsel waarin angst en verlossing niet zonder elkaar kunnen

 

Even valt er een stilte, het water stroomt. ‘Ik weet niet hoe het werkt, wat ze wakker heeft geschud, maar daarna kwamen er steeds vaker mensen op mijn pad waar het niet lekker meeging.’ Hij zwijgt even en vervolgt met ‘en zodra ze weer een beetje kunnen ademen zijn ze vaak weer weg.’ Mensen komen en gaan, je kunt ze niet bezitten. En bezit is altijd op weg na anderen. In hem vind ik nu mijn gelijke. Dat verbindt ons even. Bij het vuur. Buiten is het koud. Hier is het warm. Mijn voornemen om dingen te doen die goed voelen, maar veroordeling in de hand zouden kunnen werken, niet meer uit de weg te gaan komen bij elkaar. Wat kan er mis gaan? Ik kijk hem aan en hij lacht naar me. Het is vandaag mooi weer om het ijs te breken, zodat het water kan gaan waar ze wil.

 

Ik neem een hap lucht en geef hem met liefde wat hij misschien niet ziet aankomen.

 

Ik weet het niet.