Poezen

Van ver af hoor ik Noura alweer aankomen. Wraauw. Een paar keer per dag, soms ook s nachts. Ze komt me tegemoet, met de tred van een dressuurpaard. Wraauw. Dit geluid maakt ze alleen met eten in haar bek. Ze roept haar jongen, denk ik. Die zijn een paar jaar geleden uitgewaaid. Haar baarmoeder is verwijderd, maar haar gang is ongewijzigd. Het geluid komt uit haar onderbuik, diep met hoge tonen. Ze blijft het herhalen tot ze in huis, of vlakbij de voordeur is. Ze legt het eten neer en kijkt om zich heen. Haar jongen komen niet meer, maar soms komt er een andere poes aanrennen en kijken. Meestal Storm. Elke poes kent dit geluid vanuit haar jeugd. Ze neuzen. Soms eet ze het voedsel zelf op, soms doet de ander dat. Soms mag ik het opeten.

 

Het voedsel wordt, inclusief botten zorgvuldig met de kaken vermalen. Met mijn kiezen zou ik dat niet durven. Het darmpje blijft meestal liggen. Soms de kop ook. Als het maaltje op is, streelt ze zichzelf op een rustig plekje en valt ze in slaap. Kenners zeggen dat instinct haar vertelt wanneer ze weer zal jagen. Instinct, intuitie. Poes denkt niet, poes voelt niet. Poes is. Ik bewonder haar zachtaardige rauwheid. Poes wordt wakker zonder wekker. Ze gaat ergens zitten waar te eten is. Ze weet waar ze moet zijn. Ze kent het land, de seizoenen en ze weet waar ze zoeken moet. Ze hoeft niet ver weg; hier is eten in overvloed. Als ze haar prooi gevangen heeft, komt ze altijd naar huis. Ze deelt haar eten. Van ver af hoor ik haar alweer aankomen.

 

Jack valt liever de kwarktaart aan of Storm, als die in de kattebak zit.