Ik heb een man gekend*



Vanuit huis een eindje het veld in. Ik loop vast naar de sloot terwijl hij nog even Noura, de poes, terugbrengt naar huis. Anders loopt ze de hele tijd achter ons aan, mekkerend dat we te ver van huis zijn.

Even later loopt hij achter me. Na een paar meter ziet hij een kikker, en raakt tot mijn verbazing geinteresseerd. Ik kijk om. Hij wijst ze zelfs aan. 'Kijk,' zegt ie, 'daar! Ze zijn zo groen dat je ze bijna niet ziet.' Ik zie ze. Daarna lopen we door. Dan kijkt hij naar rechts: 'O, hier hebben ze die aardappels neergezet. .... O nee, weet jij wat dat zijn?' Ik zwijg, en moet intern lachen om hoe hij zich heen kijkt. 'Ach nee het zijn suikerbieten, natuurlijk.'  We staan er even stil, en dan loop ik door. Hij zegt: 'He ga jij nu weer lopen, net nu ik inhaal?' Ik zeg: 'Het is jouw verjaardag, jij mag het zeggen.' Daarop loopt hij me voorbij en gaat voorop. Als we bij de achterste sloot zijn, plof ik op de grond. Hier is het zo fijn, ik zit hier graag. Hij is hier ook een keer, aarzelt even en gaat dan bij me zitten. Hij pakt wat voor handen is en zegt: 'Kijk, mooi tweepolig helmgras.' Daarna kijk hij om zich heen. 'Mooi is het hier ja. Dat dringt dan ineens tot je door he?' Ik zwijg.

En zoals zo vaak kijk ik ook nu, uren later, terug op dat moment. Ik had wat willen zeggen. Daar op dat moment. Maar het was alsof ik eerst op zoek was naar criteria voor de woorden. Ik weet niet of die er zijn. Kopland schrijft dat een gedicht je treft om wat het niet doet. Misschien geldt dat ook voor mensen. Ik ben daar nog niet uit.


* Deze wenst anoniem te blijven