Opnieuw beginnen



Aan tafel is het weer raak. De jongste wil graag iets zeggen, maar de puber besluit dat ze nog niet klaar is. 'Houd je bek!' roept ze. Daarna is het mis. Er wordt een vork gegooid, er wordt gescholden. Zulke dingen gebeuren vaak, misschien wel altijd, als ik geen energie heb. We roepen stop, maar het werkt niet. Haar emmers vol, haar woede is aangewakkerd, en moet er uit. Er wordt met deuren geslagen, er worden dingen omgegooid. Er wordt gescholden. We roepen lelijke dingen naar elkaar. Ik kan hier niet mee omgaan, en gooi de prullenbak om. Ik schrik er van op, want dat doet me goed. Iets van opluchting. Er schiet door me heen hoe moordenaars me vertelden hoe de daad op zich hen lucht gaf. Een vreemd soort opluchting, die ik nu in mijn woede begrijp. Zoals ik ook nu begrijp dat het geven van een pak slaag -in mijn kindertijd heel gebruikelijk- pijn aan het hart en ruimte gaf bij mijn vader. In woede is er oorlog in jezelf, en ben je slachtoffer en dader tegelijkertijd. Dansen op dun draad met de monsters onder je touw. Levensgevaarlijk.

Doof en uitgeput loop ik het veld in. Ik ga achter bij de sloot zitten. Daar in de leegte zie ik mezelf in het water, en besluit dat het zo niet langer gaat. Eten en teveel prikkels is geen goeie combinatie. Voor mij niet, voor niemand niet. Ik baal dat ik geen antwoord heb.

Hier in de stilte bij de sloot besef ik weer hoe ingewikkeld het is om kind te zijn van twee bij elkaar komende levensverhalen, elk met hun eigen geschiedenis. Hoe knap het is dat je als mens dat uberhaupt overleefd. Dat woede verbonden is met het persoonlijke recht om te mogen bestaan. Hoeveel energie een mens nodig heeft om een kind in stabiliteit te laten opgroeien, zonder de gretige hulp van de farmaceutische industrie.

Ik kijk in het water, zie m'n eigen onvermogen en vis er ideeen uit. Het is tijd voor verandering. Gelukkig hoef ik hiervoor geen procedures te volgen. Haar vader en ik zijn een fijn team. We besluiten dat we samen de prikkelgrenzen beter in de gaten moeten houden, dat we voorlopig niet meer met z'n vieren bij elkaar gaan zitten, en dat er iets moet komen waarin woede weg kan vloeien. Niet met zijn boksbal, want dat doet pijn. De woede moet uit het lijf: gooien of spugen, zodat het niet uitmondt in agressie. Het moet er zo uit dat we onze eigen oorlog niet meer op elkaar richten. Uit elkaar voor even, om tot jezelf te komen. Dat is wat werkt nu. We hebben allemaal die ruimte nodig. Zoiets moet het zijn. Hoopvol ga ik op bed, het is nog vroeg. De nacht brengt de rust terug, gelukkig.

Als ik de volgende dag een woedehoek met kapot te smijten borden voorstel vindt de puber dat ook een goed idee. Het moet wel flink knallen, besluiten we. We lachen daar samen om. Wat we niet goed hebben gedaan, kunnen we niet herstellen, maar we kunnen wel elke dag opnieuw beginnen. We geven elkaar een knuffel, en beginnen opnieuw opnieuw.

 

Ik voel me gezegend dat ik niet alles kan, maar dat ik in dit leven dochters heb van wie ik zoveel kan leren. Opnieuw is het antwoord lichamelijk, zoals ze me als kind ook leerde in mijn lijf te komen, te gronden om niet omver te worden geblazen als de grote boze wolf langskomt. Je kinderen geven de wereld de antwoorden voor morgen, en zijn de beste spiegels van je eigen onvermogen en blinde vlekken; ze baren jou....