Gisteren

 

Dit is hem, zei een vriendin van me. We kwamen net van de dansvloer, het was warm. Nee heet was het in de sporthal van Selwerd; een eindfeest of een ander excuus om te dansen en dronken te worden. Voor me stond een vent met dromerige groenbruine ogen en een blauwgroene blokjesblouse. Z'n handen over elkaar, een biertje in zijn hand. Hoi, zei hij. Ik keek hem wat glazig aan. O hoi, zei ik. Ik was net van de dansvloer, ik had dorst en deze lange verschijning met maf haar kwam wat ongelegen. Ik besteedde geen aandacht aan hem.

 

Een paar weken later, moest ik van diezelfde vriendin mee naar een boerderij ergens in Groningen, bij Saaxum. Dat ligt tussen Roodehaan en Ezinge. Haar vriend moest op de boerderij van z'n broer passen, en hij zou er ook weer zijn. Hmm, dacht ik, wat moet ik daar nou weer mee. 'Ga nou maar gewoon mee.' zei ze, beetje dwingend. Ik ging mee met hakken in het zand.

 

Door het geruzie en het weer goedmaken van het bevriende stel zat ik veel met hem opgescheept. We spraken over van alles en nog wat. Hij maakte heel veel grappen, en was best aardig. s Avonds vond ik een tweepersoonsbed, waar ik ging slapen. Als je wilt, ga je maar bij me liggen zei ik. Dat deed hij. Eerst met een beetje afstand, later tegen me aan. Heerlijk zo'n kerel die niet op je duikt. Ze bestaan dus toch, dacht ik.

 

We zagen elkaar daarna vaker. Ik werkte s morgens bij de administratie van de universiteit en hij deed de post. 's Middags lagen we bij het water, met een paar meer van milieukunde. 's Avonds een spelletje, Havenzicht of de Kar. Op een dag was het wat minder warm, maar ik ging toch naar het water samen met mijn vriendin. Hij was daar ineens ook, wat ik raar vond. Zo warm was het niet. Er ging een lichtje aan. Ik kreeg de indruk dat hij me wel leuker vond dan leuk. Ik vond hem nog steeds maf. We spraken af om die avond met de groep een spelletje te doen. Op mijn kamer aan de Korreweg. Dat ging meestal samen met drank en pizza. 

 

Risk. Ik weet nog waar ik zat, ik weet nog waar hij zat. Ik weet nog hoe we naar elkaar keken. Tijdens het spel gooide ik de steentjes in mijn kamer door de lucht. Ik was er zat van. Hij vond het stom. Toen taaide de groep af. Hij bleef hangen..., en is daarna nooit meer weggegaan. Ik ook niet.

 

Vandaag, 24 jaar geleden.