Zoeken

 

Ik vind, zei de man. Ik vind. Er volgde een betoog. De mensen die zich om hem heen hadden verzameld joelden. Hij herhaalde: Ik vind. Zijn roep klonk nu luider. Het moet anders; zoals het nu is kan het niet blijven. Er volgde opnieuw applaus. De echo van zijn stem weerklonk nu luider in de menigte. Dit heb ik te zeggen, zei hij. Hij hief zijn vinger zelfverzekerd in de lucht en herhaalde zijn woorden. Ik vind. Ik vind. Ik vind.

 

Ik keek er naar. Er kwam er iemand bij me staan. Een vrouw in een rode jas. Zwarte schoenen, krullen in het haar. Ze had een tasje bij zich en hield dat losjes vast. Ze keek me aan. Ik zweeg. Wat vind jij daar nu van? vroeg ze. Ik zei: ‘Ik zoek al een tijdje naar de woorden, maar heb ze nog niet gevonden.’ Ze knikte. Ik voelde me begrepen.