Blokkade

 

Stikchagrijnig vertrek ik richting Duitsland. Op naar het water. Ik hoef alleen maar de grens over. Ik stap in de auto en rijd weg.

 

Op de snelweg zie ik dat het bij Erica dicht staat, aan de andere kant. Ik heb geluk. Maar als ik bij P Oosterveen ben, een kilometer voor de grens, sta ik plots toch stil. Voor me zo’n twintig auto’s en daarvoor iets wat ik niet kan plaatsen. Ik ben net te laat. Ik doe de auto uit, gooi m’n deur open en vloek een keer. Het kan wel de hele dag duren. Weet ik veel. Ik zucht.

 

Ik pak er maar een sprookje bij, en ga zitten luisteren. Ogen dicht. Dat helpt. Even later schrik ik op, want plots rijden de auto’s voor me weg. Ik ben twintig minuten verder. Ik doe gauw de deur dicht en start de auto. Ik rijd weer verder en kijk naar de blokkade. Het lijkt wel oorlog, of een begin daarvan. Gespoten auto’s met provincievlaggen, teksten van rebellen, een groepje witte mannen met grote boze honden. Aan de riem, dat wel. Zijn dit nou hooligans? Er is zwart, veel zwart. Er staan grote auto’s en een toiletwagen midden op de weg en er zijn spandoeken op trailers geknoopt. Iets over de regering, ik kan het niet lezen. Er hangt een gespannen sfeer omheen. Brr. Als ze boos worden is de fik er flink in, ben ik bang. En in een flits zie ik voor me dat ik vanavond niet meer thuis kan komen en de komende jaren alleen langs de grens door Duitsland zwerf. Zonder contact met thuis. Samen met anderen die ternauwernood wisten te ontsnappen. Ondertussen rijd ik langzaam verder. 

 

Aan het eind van de blokkade staat een man met een blauwe muts. Hij houdt me staande. Hij doet zijn hand omhoog en zwaait ten teken dat ik even moet stoppen. Hij wil blijkbaar iets tegen me zeggen. Ik draai daarom mn raampje open. Dan vraagt hij vriendelijk of ze op mijn steun kunnen rekenen. Nu moet ik zeggen dat ik ook wegens aflopende griep het nieuws even niet heb gevolgd. Ik weet niet eens waarom ze hier staan. Verbaasd en te moe om te vragen waar dit over gaat zeg ik: ‘Vandaag kan helemaal niemand op me rekenen, ik wil nu weg.’ Als ik moe ben komt er gewoon geen zinnig woord uit. Ik pak mn stuur steviger beet ten teken dat ik weg wil rijden. De man kijkt me echter indringend aan. Ik schrik er van. Hmm, dat is blijkbaar niet het goede antwoord. Hij schopt als een paard wat met zijn been en gromt wat. 

 

Daarop komen er twee mannen naar hem toegelopen. Eentje heeft een oranjemuts op. Hij houdt zijn herdershond stevig met een touw vast. De hond hijgt en blaft. De ander is helemaal in het zwart. Er staat een roodgrijs kruis op zijn jas. Op zware schoenen stappen ze richting mijn auto. Dan kijken ze eerst naar mij en daarna via de achterruit naar binnen. Tegen mij zeggen ze niks, maar tegen elkaar brabbelen ze iets in een taal die ik niet herken. Vreemd. Ondertussen wordt er achter me getoeterd. Ik houd duidelijk de boel op. Ik vertrouw dit niet. 

 

‘Stap maar even uit,’ zegt de man dan met de blauwe muts. Net iets dwingend. ‘Nee zeg ik, ‘dat doe ik niet. Ik wil weg.’ Weer niet het goede antwoord. De man komt nu met zijn gezicht dichter naar me toe. Ik ruik zijn koffie, zie zijn grote neus en schrik van de agressie rond zijn ogen. Wat een smerige vent is dit. Bah. Dan ademt hij hoorbaar in en tovert hij zijn grote handen uit zijn broekzak. Hij legt ze langzaam maar zorgvuldig om mijn keel. Slik. Koud. Ik verstijf. Dit had ik niet aan zien komen. 

 

Dan steekt hij zijn grote hoofd door het raampje, herhaalt wat hij eerder ook al vroeg, maar nu harder en bozer. ‘Ben je voor of tegen ons?!’ Zijn vingers drukken tegen m’n adamsappel. Slikken lukt nu niet meer. Denken helemaal niet meer. Ik blokkeer volledig. De andere mannen blijven ondertussen roerloos staan. ‘Laat me los!’ gil ik. Althans dat wil ik, maar er komt niks meer uit mijn mond. Ik wapper wat met m’n handen. De automobilisten achter me blijven ondertussen toeteren. Oorverdovend. Sommigen zijn ook uitgestapt en beginnen oergeluiden te roepen en te schreeuwen. Vlak achter me. Ik hoor ze. De honden blaffen hard mee. Wat een kabaal is dit. De man schreeuwt nu, en voor de derde keer... of ik voor of tegen hen ben. Mijn hersens doen het niet meer, ik krijg geen lucht, bovendien schut mijn hoofd heen en weer. Waarom grijpt niemand in? 

 

Ik zie zwart voor mn ogen. De ijskoude handen van de man ontnemen me alles, ik word er helemaal duizelig van. Ik kan niet meer. De paniek giert door mijn bloed... 

 

 

 

En dan word ik wakker, start mn auto, en rijd in de stoet mee langs de zwaaiende mannen. Op naar het water.... waar de vrede terugkeert.