Zuurstok

 

 

 

Een paar dagen geleden kreeg ik een zuurstok met een tekstje erbij. Deze tekst:

 

‘Deze zuurstok heeft strepen in rood. Het gaat over Jezus. Die Zijn bloed vergoot. De J is van Zijn Naam. Hij is Redder en Heer. Hem alleen komt alle eer toe. Verder het wit, want Hij is zuiver en rein. Het volmaakte offer kon Hij daarom zijn. Aan het kruis de plaats waar Hij heeft geleden. Voor al het verkeerde wat jij en ik deden. Jezus voorop. Daarom de staf van een herder. De belangrijkste vraag: Is Hij jouw Heer en Redder?’ 

 

Voor mij is dit een draak, maar het was de tijd van ‘Vrede op aarde’ dus ik schreef eerst een vreedzaam alternatief; 

 

Deze zuurstok heeft strepen in rood en wit. Het gaat over snoep; suiker en slachtafval. De J is een letter van het alfabet dat kun je er in zien. De J komt tussen I en K. Het alfabet komt alle eer toe als je er een J in ziet. Met de letter J kun je veel namen maken. Verder: Rood is ook de kleur van aardbeienranja, baarmoederbloed en het bovenste stoplicht. Wit is geen kleur, en maakt andere kleuren lichter. De J is de tiende letter in het alfabet, in het Nederlands. Sommige letters staan ervoor, andere erna. De zuurstok kun je ook andersom houden, dan lijkt het op een wandelstok, of zo’n ouderwetse zwemleshaak, of een lange trekhaak. Of misschien heb je zelf een leuk idee. Je bent vrij om er iets in te zien of niet. Als je samen met anderen hetzelfde er in ziet, bedenk dan dat je het niet per sé het bij het rechte eind hebt..... en besef dat wat voorop staat is dat wat jij er zelf mee doet. Het is en blijft immers een zuurstok. De belangrijkste vraag; Hang je hem op, eet je hem op, geef of gooi je hem weg?’ 

 

 

Soms heb ik veel woorden nodig om iets voor mezelf op te helderen. Dus ik liet de draak los. Voor wie m'n gedachtengang wil volgen en zich afvraagt wat ik er mee gedaan heb: 

 

 

 

We hebben afgesproken dat dit een zuurstok is. De afspraak, de overeenkomst is overeengekomen door onze voorouders. Ergens is het begonnen, ergens hebben ze een nieuw woord gemaakt voor een ding. Zo is het vast gegaan. Iemand maakte het, noemde het zo, en toen was het zo. Als je iets benoemt waar eerst geen woord voor was, dan is het er. Nachtburgemeester. 

 

Zo is het vermoedelijk ook gegaan met God. God is er, omdat iemand of een paar mensen iets ergens hebben benoemd wat er daarvoor niet was. Met God is intussen een probleem, want in tegenstelling tot een zuurstok, zijn we kwijt geraakt wat er ooit met God bedoeld is. Daar kun je naar zoeken, als je wilt. Er zijn boeken genoeg over geschreven. Je bent er vrij in.

 

Je kunt ook zeggen dat God niet bestaat.  Het probleem is dat als je zegt dat God niet bestaat, je ook moet concluderen dat bijvoorbeeld kabouters niet bestaan. Kabouters zijn nimmer ergens gezien.. of. Toch bestaan ze. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar de fraaie tekeningen van Rien Poortvliet. De tekeningen bestaan, maar daarmee is nog niet aangetoond dat kabouters bestaan. Toch bestaan ze, omdat ik kabouters in de tekeningen zie.

Zo zijn er ook verhalen waarin mensen God zien. 

 

Een poging tot uitleg. De fictie en werkelijkheid zijn twee verschillende dingen in dezelfde wereld. De fictie bestaat bij gratie van de werkelijkheid. De mens is vrij om over de werkelijkheid een fictieve werkelijkheid te leggen. Om het leuk, spannend en of dragelijk te houden bijvoorbeeld. Dit doen we voortdurend. Het geeft leven. Kijk maar eens naar het werk van kunstenaars. Voor zover ik weet is de mens de enige die dit kan: fantaseren, iets verbeelden of een verhaal maken in zijn hoofd en dat verbeelden. Wij hebben oneindig veel beelden en woorden. We scheppen voortdurend. 

 

Niet door kabouters, maar wel door de idee van God hebben veel mensen een probleem met elkaar. De problemen ontstaan door de verhalen die we maken en de talen die wij spreken. Ik kom daar op terug. 

 

Als je zegt dat je fictieve werkelijkheid hetzelfde is als de meetbare, zeg natuurwetenschappelijke werkelijkheid, dan heb je een probleem. Het zijn namelijk twee verschillende talen.

 

De taal van de natuurwetenschap is gebaseerd op de taal van de geesteswetenschap. Hoe leg ik dit uit. Een poging. We maken als mens verhalen over de wereld, daar groei je mee op en in die verhalen meten wij vervolgens de werkelijkheid. We hebben daar taalafspraken over gemaakt. Te beginnen met mama, en daarna bijvoorbeeld over wat tijd en ruimte is. Die afspraken noemen we wetmatigheden. Natuurkunde. Wiskunde. Een zuurstok is een zuurstok als hij voldoet aan die en die eisen (vorm en inhoud) In deze werkelijkheid kun je niet zeggen dat God bestaat, omdat je God niet kunt meten of vaststellen. Je kunt niet zeggen: God bestaat want hij/zij/het is geboren in Bethlehem. Dat kun je niet vaststellen. We hebben het niet gemeten; we weten het niet. 

 

We zijn dus in de werkelijkheid en hebben daar een verhaal van gemaakt. Wij weten dat wij in eenzelfde werkelijkheid zijn door ons lichaam en taal, maar zitten allemaal in ons eigen verhaal. Nu weten we dat God bestaat in de fictieve werkelijkheid van heel veel mensen. Mensen herkennen zich in de verhalen. Mensen geloven.  God heeft in veel verhalen een belangrijke rol. Er zijn veel mensen die zoeken naar de betekenis van het woord God. Er zijn mensen die beweren dat de idee God uit te kunnen leggen. Dat doen mensen al eeuwen. Dat fascineert me. 

 

Er is een kleine 2000 jaar geleden een verhaal toegevoegd aan het woord God; Jezus. Hoe dit verhaal is ontstaan weten we niet meer precies, maar dit verhaal is voor mensen God geworden. Dat noemen we het Christendom. Aan Jezus hangen ook veel verhalen. In de Bijbel staan er enkele. Ook deze verhalen zijn een eigen leven gaan leiden. Er zijn mensen die beweren dat de idee van Jezus uit te kunnen leggen. Ook hier is van alles bijgehaald. Zoals alles steeds zijn eigen leven gaat leiden. Verhalen herhalen zichzelf en dijen met het heelal alsmaar verder uit. Zo kan het gebeuren dat iemand 2000 jaar na het ontstaan van een verhaal, in een zuurstok een staf ziet van Jezus. Zo kan iemand langs de deuren gaan om te vertellen dat God geboren is in Bethlehem. Een martelwerktuig om z’n nek dragen ten teken van liefde. Snap jij het nog? 

 

Het probleem en ons geluk is dat we niet meer weten waar ons verhaal vandaan komt. Via stamboomonderzoek en therapie kom je een heel eind, maar je komt er niet achter waar je precies vandaan komt. We maken er een verhaal van, om het leuk spannend en dragelijk te houden. Wij zijn vrij om onze eigen verhaal te kleuren. Dat doen wij en andere volkeren via taal voortdurend. 

 

Ons probleem is verder dat we ons graag aan iets of een verhaal vasthouden. Maar we moeten ook steeds bekennen dat dit ons uit de handen glipt. Niet alleen de taal, maar ook het leven trekt voorbij, of beter; wij zijn reizigers, we komen en gaan. Zo kunnen we wel afspraken maken over wat tijd en ruimte is, maar we kunnen tijd en ruimte niet vastgrijpen. Dat proberen we overigens wel via de taal van de economie, maar daardoor falen wij in onze medemenselijkheid- kijk maar eens naar de zuidelijke grenzen van Europa en ons rentmeesterschap. Maar dat terzijde. Wat rest is ons lichaam en onze rituelen. 

 

Ik grijp me ook vast. Bijvoorbeeld aan kunst, aan verhalen, aan anderen. Mensen bij wie ik me thuis voel. Soms heb ik er woorden voor, maar het blijft ook dikwijls voor mezelf een mysterie. Misschien is dat God. Waar ik me in het vastgrijpen bezorgd over maak is dat we danook menen dat dat wat er in ons hoofd is menen dat de waarheid is. Of dat we namens zoiets als God spreken. Wat dat dan ook moge zijn. In de werkelijkheid hebben we zelf steeds verantwoordelijkheid te dragen. Voor zover de grip dat toelaat. 

 

Door de natuurwetenschap weten wij dat delen van ons verhalen uit onze geschiedenis zo zijn gegaan zoals we hebben gehoord of lezen in de boeken, of beter: herkennen we patronen, maar over heel veel zaken weten wij weinig tot niets. Ik wil daarom vragen blijven stellen. Wie zijn wij? Wat is het kolkende mysterie waarin ik woon? Waarom zoek ik naar goedheid, waarheid en schoonheid? Hoe gaan we om met onze sterfelijkheid? Hoe willen we met elkaar omgaan? Om maar wat te noemen. 

 

Onderweg grijpen mensen zich niet alleen vast aan natuurwetenschap maar ook aan anderen, taal en boeken, maar ook aan God, Jezus, kabouters en nachtburgermeesters. Maar ook die laten zich niet door ons hoofd vastgrijpen. 

 

In de werkelijkheid zal ik dikwijls pogingen blijven doen om me vast te grijpen, maar het leven is vooral loslaten. In mijn hoofd hoef ik echter niemand los te laten, kan iedereen blijven leven en zelfs tot leven komen. Zo bouw ik mijn eigen verhaal. Om de eindigheid leuk, spannend en dragelijk te houden. 

 

Zo is het ook met God. Als mijn hoofd zich vastgrijpt aan de bewering dat God niet bestaat, dan ben ik net zo ver als dat ik beweer dat God wel bestaat. Ik weet namelijk niet wat God is. Ik moet daarvoor eerst te rade gaan in elkaar soms tegensprekende verhalen. Daar ben ik nog niet uit. 

 

Kopland zegt in een gedicht: ‘God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen, dankzij het feit dat hij niet bestaat. En zo kunnen ook ondoorgrondelijke dingen worden beweerd dankzij het feit ze nergens over gaan. Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer.’ * 

 

Enfin, nu heb ik scherp wat mij irriteert aan deze tekst die ik bij de zuurstok kreeg.

 

In je hoofd kunnen er nachtburgermeesters, kabouters, God en Jezus zijn. En als ik op mijn eigen verantwoordelijkheid bij dit alles een verhaal maak, taalafspraken en andere elementen die me bekend zijn uit de verhalen van het volk waartoe ik behoor toevoeg, dan mag je dat verhaal van mij aannemen omdat je jezelf er in herkent en of het leuk, spannend vindt, er ethiek in ziet, er levenslessen uithaalt, of om de eindigheid van het leven dragelijk te maken,... maar we zijn als volk binnen de joods-christelijke cultuur wel vrij, dus dat hoeft ook allemaal niet.... 

 

pff zalig zeg. 

 

 

 

* Kopland.. https://youtu.be/zzWCw0RFPWo