De Duif


In de vroegte van de ochtend kijk ik naar het land. De zon is net op. De ingezaaide grond wil licht zien en regen voelen. Op een tak direct naast het grote raam waar ik bij sta zit ineens een grote duif. Dat is gek, denk ik. Er zit nooit een duif zo dichtbij. Ze kijkt naar mij. Ik groet het dier. Ik vertel het dat ik het vuurtje kijken, andere wilde plannen, mensen die ik anders nu ook niet zou zien mis. Ik ben blij dat de duif terugkijkt. Het beest kijkt me zelfs indringend aan. Alsof ze me begrijpt. Ja ik weet wel dat dat flauwekul is. Hmm, vreemd door die blik pik ik nu een traantje weg. De duif knikt vervolgens en vliegt weer op. Ik kijk het na terwijl het over het land wegvliegt. 



Als de duif uit beeld is, blijf ik kijken en denk ik aan een mooie vogel van lang geleden. Oma. Het is een beeld dat op mijn netvlies is gebrand. Man, zij kon nakijken. Vooral die ene hele gewone middag, toen ik misschien een jaar of tien was en na een bezoek aan haar, op de fiets vertrok. Hoe zij mij toen nakeek en stond te zwaaien. Zo lang. Dat vergeet ik niet meer. Zelfs toen ik de bocht al om was, stond zij nog in haar oranjebruine omajurkje en haar stoffen zakdoek, bij de straat naar mij te wuiven. Ja in mijn gedachten staat ze er nog steeds. 


Ze woont er ook nog. De entree van haar eerste seniorenwoning, de kleuren van de meubels, de niet-rokenstickers en de worst op tafel zie ik weer voor me. De weeïge geur van haar huis zit nog in mijn neus. Haar stem, haar dialect. De spelletjes die ze me bijna altijd liet winnen. Het gaat nooit meer weg. Oma zei altijd dat alles goed kwam. Ook met mij. Ik kon altijd bij haar terecht, net als de voor mij ontelbare aantal andere kleinkinderen van alle kinderen die ze zelf baarde. Veel stilte heeft ze in het eerste deel van haar leven vast niet gekend. 


Later wel. Op haar oude dag was het soms best stil en was ze alleen. Nou ja, ik weet nog dat oma  toen graag gewonde vogels verzorgde. Vaak duiven. Sommige mensen deden daar een beetje lacherig over, zeiden dan bijvoorbeeld dat ze de vogel beter de nek om kon draaien, maar van dat soort praat trok oma zich niets aan. Ze had altijd contact met het leven om haar heen. Dieren en mensen waren voor haar gelijk. Ze praatte met de vogels op de momenten dat ze geen mens zag of sprak. 


Gôh. Ik kijk voor me uit over het land en bedenk dat ik lang niet aan haar heb gedacht. Maar zij, zij zwaait nog steeds naar mij.