In het bos



Ik ga het bos maar in. Van de weg af. Tijd voor een nieuw pad. Het bos is schaduwrijk en het pad flink begroeid. Hier is allang niemand geweest. Dat dat nog kan zo dichtbij huis, denk ik. Het bruggetje over het bosbeekje is vervallen, maar ik kan mn pad vervolgen. Ik sla linksaf en het pad wordt even later breder. 
Dan sta ik ineens bij twee oude boerderijen. De eerste is ingestort. Er staan oude landbouwwerktuigen in. Vreemd. Ik zie niet vaak verlaten huizen. 

Hier hebben op een dag mensen hun boeltje gepakt en zijn ze vertrokken. Op reis gegaan, weg. Ik heb die dorpen gezien in de VS. Bij ons bestaat dat niet dacht ik. Gôh. Kijk dan zeg ik tegen mezelf, hier hebben mensen een leven geleefd. Hier is gegeten, geslapen, gevreeën. Hier zijn mensen geboren en gestorven, en nu zijn ze er niet meer. Het verhaal is met hen weggegaan. Ik loop door naar de tweede boerderij, en kijk stiekem naar binnen. Het is alsof ik zonder toestemming een andere tijd binnenga. Net als in een meisjesboek. Hmm. Ik kijk om me heen. De boel staat op instorten, maar het waait niet dus ik waag het er op. 

Ik doe de kleine deur open en stap naar binnen. Een slaapkamer zo te zien, er staat nog een oud bed. Verroest en verweerd. Van het matras is niks meer over. Hier heeft iemand op geslapen, en geweten dat ze de volgende dag zou vertrekken. Ik loop verder de gang in. Het kraakt en het doet. Ik zie dat de gang in verbinding staat met de achterdeur. En voor de achterdeur staat iets groots. Het lijkt op een grote zwarte doos. Er zijn veel spinnewebben in de bouwval en ik moet wel twee keer kijken voor ik in de gaten heb wat het is. Ik doe nog maar een stap. De vloer kraakt harder. Hmm, dit vindt mijn moeder misschien niet verstandig. Ik loop verder. 

Ondertussen zie ik wat het ding is. Het is een stuk staal. Er schiet een beeld van de film de Titanic voor m'n ogen. Je weet wel. Die hand op dat beslagen raam. Dat verlangen. Het licht valt er mooi op. Ik zie een koets. Over de puinstenen loop ik er naartoe. Als ik er ben zie ik dat het deurtje een beetje open staat, en ik trek er zachtjes aan. Ik kijk naar binnen en zie een paar spinnetjes van de rode bekleding schieten. Hier heeft allang niemand meer ingezeten. Het milieu heeft het weer tot zich genomen. Wat moet je er ook nog mee. Je hebt een flinke knol nodig om deze uit deze ruïne te trekken denk ik. Een hele klus, en ik zie ook geen wielen meer. 

Ondertussen dwalen mijn gedachten door de tijd. Hier zijn mooie ritjes mee gemaakt denk ik hardop. Misschien wel helemaal naar de markt van Meppen of Lingen. Lang geleden. Nu staat het hier te wachten op het einde van deze tijd. De genade der vergetelheid. Ik kijk er naar. Raar maar ik word rustig van deze koets. Misschien omdat het iets is wat op een dag zo belangrijk is, door de tijd heen er ineens niet meer zo toe doet. Zoiets als nu een telefoon misschien. Of een vliegtuig. Het gaat voorbij. 

Nu hoorde ik laatst iemand zeggen dat verhalen en herinneringen wel blijven. Zouden die dan ergens op de grens van tijd en eeuwigheid wonen? En af en toe bij volle maan ofzo een pijl afvuren? Ik ben daar nog niet uit. Misschien moet je er jaren op studeren om er uiteindelijk bij toeval tegen aan te lopen. Ik weet het ook niet. Ik kijk nog één keer naar de koets, en kruip dan door de piepende deur naar buiten. Door het bos. Langs de rivier. Terug naar huis.