Tunnel

Vroeger had je in de dierentuin van die kruipdoorsluipdoor objecten, binnen. Het waren kilometerslange tunnels met bruine en rode rubbermatten met ronde stippen erop. Nee, die tunnels waren niet kilometerslang, maar zo voelde het soms. 

Via de voet van een nepboom kon je er in. Het was prachtig gemaakt. Bij de ingang zag je de uitgang niet. Het was reuzespannend. Niet iedereen durfde er in en grote mensen pasten er sowieso niet in. Je moest je klein maken anders raakte je bekneld en dat deed pijn. De muren waren helemaal donker en je moest op de tast er doorheen. Langzaam aan. Of er spinnen woonden wist je niet en ook niet of je die dit keer tegenkwam. Onderweg kwam je wel eens een kind tegen die terug wilde, daar botste je dan tegenaan. Dan ging je toch maar verder. Iedereen vond de uitgang uiteindelijk wel. Als die na een tijdje dan toch in zicht kwam, zag je de vloer van de ander wereld weer. Dan zuchtte je even. Vertrouwd. 

Bij de uitgang van de tunnels was een gele streep over de mat. Een drempel. Aan de andere kant van die drempel stond dan iemand die je kende op je te wachten. Een bekend gezicht. Hij of zij nam je in zijn/haar armen, tilde je op en gaf je een kus. Daarna wilden ze altijd doorlopen, maar jij wilde nog een keer. En daarna nog een keer. Zo simpel was het. Op een regenachtige zondagmiddag als dit, was dat toch het leukste van die hele dierentuin.