Het zielige jongetje



Het zielige jongetje. Daar zit hij weer, bij de zandbak. Voorovergebogen. Hij jankt de tranen uit zijn kop. Ik ken hem wel. Zijn gele pet herken ik van ver. Hij is hier vaker. Hij is niet inelkaargeslagen of toegetakeld. Hij is gewoon zo gevoelig en even de weg kwijt. Hij kijkt als dat zigeunerjongetje met die traan. Hij zou een schop onder de kont moeten krijgen, maar dat doet niemand meer. Zijn moeder is ver weg en nu is hij een beetje verdwaald. Door zijn betraande ogen kijkt hij naar me. Je doet me aan mijn moeder denken, zegt hij dan. Hij verlangt naar haar. Hijschaamt zichook een beetje voor zijn gevoelens. Als ik langsloop probeert hij mijn been te grijpen. Tevergeefs. Ik vertrek van het schoolplein. Ik groet hem kort. Jankende jongetjes krijgen aandachtgenoeg. Ikga mijn eigen weg. En ik ben zijn moeder niet.*






 *

Deze tekst is een gevecht met mijn demonen, dat jochie zat er nooit. Als hij er wel zou zitten zou ik misschien wel de eerste zijn die er bij zou gaan zitten, maar het kan ook een valkuil zijn om je teveel te laten meeslepen door de toestanden van anderen, waardoor er soms (te) weinig ruimte is voor je eigen weg.