Wederkerig


Als je maar niet denkt dat ik jou leuk vind. Als ik dat ga toegeven, dan weet ik niet waar ik blijf, of waar ik in verdrink. Ik volg je gewoon een beetje. Interessant wat je allemaal doet. Inspirerend. Ik kijk naar je om wat je maakt, schrijft, zingt hoor. Niet om jou. Of om je stem. Je moet niet denken dat ik jou als persoon aantrekkelijk vind. Dat zijn twee verschillende dingen, die je gescheiden moet houden. Kijk, je hebt de mens en dat wat hij of zij voortbrengt. 


Ik denk wel eens dat je ook zo kunt kijken naar God. Als dat wat is. God en de schepping zijn verschillende woorden, dat snap je wel. De idee is misschien dat wat je maakt terugkeert naar jezelf, zoals de schepping in zichzelf naar de bron terugkeert. Als een spiegel. Een spiegel trekt aan. Misschien brengt de liefde dat met zich mee, en is dat ook God. Als de fonken er vanaf spatten. Wederkerig. Maar het kan ook anders zijn hoor. Ik ben er nog niet uit. Ik weet niet eens of er zoiets als een God bestaat. 


Misschien is mens zijn, de kunst verstaan van aanwezig zijn, want het zijn creeert in zichzelf voortdurend, als je er voor open staat. Kijk maar om je heen. Als je goed kijkt, kun je in wat gemaakt is iets van een bron zien. Het moet toch ergens vandaan komen niet? Een knal, of wat dan ook. 


Je kunt dus zeggen dat wat jij maakt, jou en mij aankijkt. Daardoorheen zal het ook wel iets zeggen over jou en mij. Een klein beetje. Ik geloof dat de spiegel die jij voortbrengt, mij met jou verbindt. Zoiets moet het zijn. Ik weet het anders ook niet, en ik ben er nog niet uit. Ik kom er in een andere hoedanigheid nog wel een keer op terug. Dan zul je mij misschien opnieuw herkennen. En ik jou.