Vogels


Ik houd van de blik in haar ogen als ik vraag of we even naar buiten zullen gaan. Haar opgetogenheid als ze even later de frisse lucht in haar longen snuift. Ik weet niet hoelang Janny niet buiten is geweest. We lopen een rondje bij het verpleeghuis. Vanuit haar stoel wijst ze de bomen en de vogels aan. 


Soms prevelt ze er wat bij. Dan stop ik en kniel ik even om te horen wat ze zegt. Dan kijken we elkaar even aan. Om daarna weer verder te gaan. Ik duw haar. Zo zit je in de kinderwagen en zo zit je in een rolstoel, schiet er door me heen, als een vrouw met kind langsloopt. Soms dwalen mijn gedachten af. 


Janny heeft dat niet zo. Ik zie haar genieten. Janny leeft in het moment, denk ik. Ik zou graag willen zien en begrijpen wat er in haar omgaat. Maar het ontgaat me vaak. Ze is tegelijkertijd dichtbij en ver weg. Er is niemand die haar gedachten kan volgen. Ze trekken als wolken aan me voorbij. 


En terwijl ik orde probeer aan te brengen in mijn eigen kleine chaos wijst Janny ineens naar boven. Ik stop en volg haar dunne hand. Haar arm gaat langzaam omhoog. We staan even stil. En ik kniel weer bij haar neer. Ik kijk naar de blauwe hemel. Boven ons in de boom is een nest. Ze trekt me er mee naartoe. Omhoog.


Samen zien we hoe twee vogels druk zijn met het maken van een broedplaats. Elk aan een kant. Ik kijk naar de vogels, naar hun nest tussen hen in, en dan naar Janny. Haar ogen stralen en ze lacht. Er hangt een mooie gloed om haar heen. Er valt iets van me af. Ik zie dat het goed is. 


Janny is een mensenredder. En Janny heeft dat niet in de gaten.