Niet normaal



Simon loopt naar buiten en steekt een sigaret op. Ik kom bij hem staan. Even meeroken. 'Het gaat me te snel' zegt hij, nadat hij een trekje heeft genomen. 'Ik kan mijn kop er niet meer bijhouden. Ik word radeloos van je.' Ik kijk voor me uit. Ik staar naar de wolken. Zo, denk ik, dat heb jij dus ook. Ik loop bij hem weg en ga in het gras zitten. Er een beetje aan lopen trekken. 


Na een tijdje vraag ik: 'Heb jij dat dan ook dat je zo rond zonsopkomst je de ogen alweer los gaan? Alsof er iets aan je trekt. Ik snap er niks van. Ik heb opgezocht wat het zou kunnen zijn; voorjaar, trilling, frequenties, resonantie, stand van de maan, de sterren en de planeten, aantrekkingskracht. Al die dingen meer. Allemaal te verklaren, maar wat het is, daar ben ik nog niet achter. 


Dan word ik vroeg wakker en moet ik ineens zo huilen van onmacht, verdriet, geluk. Nog nooit eerder zo meegemaakt. Alsof mijn antenne uitstaat naar iets dat buiten mij ligt, ergens iets tussen wereld en planeet. Dan moet ik schrijven.' Ja dat bedoel ik, zegt hij terwijl hij naast me komt zitten. Dat is toch niet normaal? Nee, zeg ik, niet normaal. 



We kijken samen over het land. De boeren zijn de boel aan het inzaaien. De grond is er klaar voor. Het is wachten op wat de toekomst brengt.