Eendjes voeren




Als ik bij Janny in het verpleeghuis kom, wijst ze me direct haar kleedje aan. Dat kleedje moet over de benen. Ze wil naar de eendjes. Naar buiten. Het is mooi weer. Daarop doe ik de jas bij haar aan en we gaan. 


Als we buiten zijn gaan haar ogen wat verder open. Heerlijk nie? prefelt ze. Ik duw haar rolstoel en we lopen naar de eendjes. Janny wijst de weg langs het gras. Er staan mooie kleine bloemetjes in. Roze. Ik wijs ze aan. 'Zal ik een paar voor je plukken?' vraag ik. Dat is goed knikt ze. Ik pluk een paar en leg ze op haar schoot. Ze koestert ze met haar broze handen. We rijden verder. Even later zegt ze: 'Het gras staat hier goed hoog, ze mogen wel weer eens maaien.'


Ja zeg ik, maar dan nemen ze al die mooie kleine bloemetjes ook mee. En dat is dan toch ook wel jammer. Ze knikt. Er staan ook margrietjes tussen, die wil ze ook. Ik ga door de knieën en pluk ze. 'Heb je die vroeger wel eens in je haar gedaan?' vraag ik haar. Als een bandje? Ze lacht, alsof gisteren even terug is. 


Dan lopen we naar de eendjes. Net zoals ze dik zeventig jaar geleden met haar moeder naar de eendjes liep. Ze geeft mij het brood. Ik breek het en deel het uit. Janny kijkt er vanuit haar stoel naar en lacht. 


Als we even later verder lopen, zie ik paardenbloemen staan. Zullen we een paar wegpouzen? Ja, zegt ze, ze wil blazen. Daarop pak ik zo'n paardebloem die je kunt wegblazen. We moeten dat wel samen doen, zegt ze, ik heb niet zoveel kracht meer. Dat is goed, zeg ik. Dus ik tel tot drie, en dan blazen we samen haar woorden de wereld in: 


één - twee - drie