De Perenberg

 

Ondertussen neemt de herfst in de tuin langzaam maar zeker bezit van de perenberg. Een paar weken geleden was het nog een komen en gaan van vliegen, bijen en wespen, verschillende soorten vlinders en de hoornaars. Nu is de berg een bijna bruine verlaten steeds vlakker wordende moespap, waar veel verschillende soorten vliegen en slechts een enkele bij zich nog aan wil wagen. De zon schijnt zo fijn in september. Ik zit erbij en kijk er naar.

 

Vanmorgen zijn drie hoornaars erg actief. Veertien dagen geleden vingen ze eenvoudig hun prooi om hun larven in de perenboom daarmee te voeden, maar dat is nu een stuk lastiger. De larven zijn inmiddels een stuk groter, maar het voedsel raakt op; de meeste bijen en wespen zijn vertrokken. Er zal snel een moment komen dat zij en haar kroost zullen sterven. Alleen een koningin overleeft de winter misschien. De rest dient als voedsel voor anderen. Zo gaat dat in de natuur. Ik zie dat de hoornaars contact hebben met elkaar, ze praten op de perenberg. Het is net een slagveld. De peren zijn allemaal gevallen, het laatste suiker wacht om geconsumeerd te worden. Over enkele dagen zal hier geen leven meer zijn voor alles dat graag fladdert en vliegt. De zomer blaast dadelijk hier haar laatste adem uit. 

 

Boven de berg zie ik hoe de vlinders als elfjes de hoornaars op een dwaalspoor zetten. Ze vliegen zo dat de hoornaars geen kans maken om een bij of andere vlinder te vangen. Soms jaagt een vlinder zelfs twee hoornaars tegelijk weg. Wauw. Ik kijk er naar en beelden van de Lord of the Rings schieten in gedachten voorbij. Het gaat er hard aan toe, alsof hier nog niet is doorgedrongen dat de oorlog voorbij is, de strijd gestreden is, de vrede getekend, de eerste manschappen alweer naar huis keren. Alsof ze gemist hebben dat de groene vliegen samen met de wormen en andere insecten bezit nemen van de laatste resten peer, of voor wat eens peer genoemd werd.

 

Begin september zijn er nog een paar vlinders op de perenberg; aardbeivlinder, atalanta, dagpauwoog, gekraagde aurelia. Prachtig om te zien hoe ze het laatste perensuiker eten. Behendig krullen ze het sap naar binnen. Soms komt er even een vlinder bij me zitten, op m’n been. Voor hen dien ik als rustplaats en uitzichtpunt. Dat is een groot geluk. We kijken samen naar de perenberg. Misschien is de ring inmiddels in het vuur gegooid aan de achterkant van de berg-zoals in het boek en de film. Ik weet het ik niet. Ik heb het niet gezien. Ik ben hier alleen in mijn perenparadijsje, met de zon in mijn rug. Ik weet ook niet hoelang ik hier al zit met een vlinder op m’n been. Ik schrik op van een hard getik boven mijn hoofd. Als ik omhoog kijk naar de perenboom, zie ik een grote bonte specht. Die heeft het huisje van een hoornaar gevonden en tikt de larven uit hun nest. Het is tijd om op te staan.