Lichtje



Ze was een lichtje, dat brandde voor iedereen. Ze kon zichzelf in vuur in vlam zetten en warmte geven aan wie het maar nodig had. Tot op de dag dat ze jou zag. 'Ik hoef jouw licht niet!' hoorde ze. Vanuit het niets zag ze het donker waar ze tegenover stond. 


'Hé donker, zullen we spelen,' zei ze. Maar het donker wilde niet spelen. 'Hé donker, kom us wat dichterbij dan kan ik je zien.' Maar het donker kwam niet dichterbij. Daarop besloot het lichtje in het donker te gaan. Ze ging dieper en verder. Alleen. Niemand zag haar licht nog. Het donker overschaduwde haar en zei dat ze moest zwijgen. Over zichzelf. 


Het donker zei dat zij niet bestond voor hem. Zwijg dat je er bent! Zwijg erover dat je in me bent! Zwijg lichtje zwijg!


Het donker wilde het lichtje doven. Het lichtje kroop ineen en werd kleiner en kleiner. Het donker schreeuwde harder dat ze niet bestond. Het donker schreeuwde en schreeuwde dat zij het niet waard was te leven. 


Daar zat het lichtje. Klein en vergeten. Ze ademde geen warmte meer. En de lieve woorden vonden geen gehoor meer buiten haarzelf. 


Het lichtje kon die nacht niets doen, behalve het licht in zichzelf aan wakkeren. Ze hield haar adem even in en blies die ochtend het licht door haar aderen als de zon die in de morgen het land verlicht. Haar vingers gleden over haar lichaam en ze gloeide op. Steeds meer begon ze te stralen. Elke dag herhaalde ze dit en haar kleine lichtje werd groter en sterker. Ze danste, ze zong en haar stem werd overal gehoord. 


Het donker raasde ondertussen voort en was vergeten dat het licht bestond. Het schrok op. Het werd bang, want alleen het donker is bang. Het donker keek op en kon haar licht niet aan. Het donker wilde vluchten, maar het zat gevangen in zijn eigen angst. Zo ging het licht op het donker staan. En haar licht straalde vanaf die dag over de aarde. Zoals de zon in de ochtend straalt over het land.